ECLI:OGHACMB:2019:119

No comments exist

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2019
Registratienummers: AR 2463/13 – ghis 79231 – AUA201300141 – AUA2015H00020

Uitspraak: 18 juni 2019

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

1. [APPELLANT sub 1],

2. [APPELLANT sub 2],

3. [APPELLANT sub 3],

4. [APPELLANT sub 4],

allen wonende in Aruba,

oorspronkelijk eisers,

thans appellanten,

gemachtigde: mr. D.G. Kock,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

HET LAND ARUBA,

zetelend in Aruba,

oorspronkelijk gedaagde,

thans geïntimeerde,

gemachtigde: A. Lumenier.

De partijen worden hierna de erven [appellanten] en het Land genoemd.

1Het verdere verloop van de procedure

1.1

Voor het procesverloop tot 13 maart 2018 verwijst het Hof [Appellant sub 4] zijn tussenvonnis van die datum (hierna: het tussenvonnis).1.2.

Op 4 december 2018 hebben beide partijen een akte ingediend. Vervolgens hebben partijen ieder een contra akte ingediend, de erven [appellanten] op 22 Januari 2019 en het Land op 26 maart 2019.1.3

Vonnis is gevraagd en bepaald op vandaag.

2De verdere beoordeling

2.1

In 2.11 van het tussenvonnis is overwogen dat nader onderzocht moet worden welke gebruiksmogelijkheden het perceel van de erven [appellanten] (hierna: het perceel) had voor de invoering door het Land medio 2006 van anticiperend beleid waarbij het perceel als groen- / natuurgebied is aangewezen. Het Land heeft in zijn akte het volgende [Appellant sub 4] voren gebracht. Het perceel is omsloten door domeingrond en is slechts bereikbaar over een (niet aangelegde) zandweg. Als gevolg daarvan waren de mogelijkheden van commerciële exploitatie van het perceel altijd al beperkt, ook voordat het bedoelde anticiperende beleid gold. Daarvoor is namelijk noodzakelijk dat het Land eerst een weg aanlegt op zijn grond en op het perceel. Een groot bouwwerk zoals een hotel of appartementen zou hinderlijk zijn voor de aan de omliggende domeingrond gegeven bestemming en toenemend verkeer is zonder meer hinderlijk. Ook voor het bouwen van een woning zou voor 2006 geen vergunning zijn verleend omdat ook daarvoor vereist is dat de woning aan een weg ligt die voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Die weg is er niet en het Land was en is niet bereid die aan te leggen, aldus het Land. Het Land heeft voorts erop gewezen dat de grond in 1966 door de vader van de erven [appellanten] is gekocht voor Afl. 200,- (productie 2b bij akte van 4 december 2018).2.2

Het daartegen door de erven [appellanten] gevoerde betoog gaat niet op. Het is weliswaar juist dat onder ‘een weg’ in de zin van artikel 11van de Bouw- en Woningverordening 1935 mede valt een strook grond die als weg, straat of pad wordt gebruikt, maar daarmee is niet ontkracht dat de huidige zandweg voor commerciële exploitatie van het perceel niet volstaat en dat het Land niet bereid is noch was om op zijn eigen grond een weg aan te leggen die wel intensief (bouw)verkeer aankan. Indien de erven [appellanten] menen dat het Land hen vóór 2006 op deze grond geen bouwvergunning voor bijvoorbeeld een hotel of een appartementencomplex had kunnen weigeren, dan had het op hun weg gelegen dat aan te voeren en daarbij toe te lichten op welke gronden zij het Land hadden kunnen verplichten tot de aanleg van een voor dat doel geschikte weg op domeingrond.2.3

De erven [appellanten] worden ook niet gevolgd in hun stelling dat het bouwen van een of meer woningen op het perceel voor 2006 wel was toegestaan en zou zijn vergund, omdat een zandpad ook een weg is. Het Land heeft er terecht op heeft gewezen dat ook vóór 2006 ingevolge artikel 22 onder f van de Bouw en Woningverordening 1935 gold dat een te bouwen woning moest liggen aan een de weg die voldoet aan daaraan door de Dienst Openbare Werken te stellen eisen, rekening houdend met de begaanbaarheid van de weg voor overheidsdiensten. Dat de huidige weg aan die eisen voldoet is door de erven [appellanten] niet gemotiveerd gesteld.2.4

Daar komt bij dat de erven [appellanten] in hun aktes geen nadere onderbouwing hebben gegeven van hun standpunt dat vóór de anticiperende beleidswijziging in 2006 commerciële exploitatie dan wel woningbouw op het perceel wel mogelijk was. Dit lag wel op hun weg, zeker nadat zij daartoe in het tussenvonnis uitdrukkelijk waren uitgenodigd. Zoals het Gerecht in eerste aanleg van Aruba ook al heeft overwogen, blijkt uit het door de erven [appellanten] overgelegde taxatierapport niet dat bij de schatting van de waarde op ruim
Afl. 4 miljoen op de een of ander manier rekening is gehouden met destijds geldende beperkingen noch dat de taxateur [Appellant sub 4] mogelijke beperkingen onderzoek heeft gedaan. Voor de overgelegde conceptkoopovereenkomst en letter of intent geldt hetzelfde. Dat er andere percelen grond in hetzelfde gebied voor (naar rato) vergelijkbare bedragen zijn verkocht is niet gesteld, terwijl ook aanwijzingen ontbreken dat dergelijke percelen voor 2006 commercieel zijn bebouwd of dat zodanige bouwvergunningen waren verleend.2.5

Dit betekent dat de erven [appellanten] tegenover de gemotiveerde betwisting door het Land onvoldoende hebben gesteld om te kunnen concluderen dat invoering van het anticiperende beleid in 2006 heeft geleid tot een zodanige wijziging in de door de erven [appellanten] voorgenomen gebruiksmogelijkheden van het perceel dat de waarde daarvan substantieel is afgenomen. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.2.6

In aanvulling op het voorgaande merkt het Hof nog op dat de toepasselijke voorschriften voor het verlenen van bouwvergunningen, opgenomen in de Bouw- en Woningverordening 1935, door of krachtens de invoering in oktober 2006 van de Landsverordening ruimtelijke ontwikkeling (hierna: LRO) niet zijn gewijzigd. Ook het Ruimtelijk Ontwikkelingsplan dat in 2009 is vastgesteld bevat geen bindende voorschriften voor het gebruik van grond. Uit de LRO vloeit voort dat daarvoor het Ruimtelijk Ontwikkelingsplan met Voorschriften (hierna: ROPV) is bedoeld, maar voor zover het Hof heeft kunnen nagaan is een ROPV voor dit gebied ook thans nog niet tot stand gekomen. De status van de Planologische en Stedenbouwkundige Richtlijn, waar[Appellant sub 4] het Land heeft verwezen (zonder het over te leggen of een vindplaats te vermelden), is niet toegelicht en voor het Hof ook anderszins niet kenbaar nu dat stuk kennelijk niet is gepubliceerd. Hoewel zowel het Land als de erven [appellanten] ervan uit lijken te gaan dat met de invoering van de LRO en het ROP het perceel expliciet deel is gaan uitmaken van een natuurgebied en dat in dit natuurgebied alleen bepaalde vormen van bebouwing zijn toegestaan (te weten: recreatief medegebruik in extensieve vorm) kan uit de stellingen van partijen en de regelgeving waar[Appellant sub 4] zij verwijzen niet worden opgemaakt dat en waarom aan de bestempeling van het hele gebied als natuurgebied bindende kracht toekomt bij de bepaling van het gebruik van de grond, bijvoorbeeld in het kader van de verlening van bouwvergunningen. In rechtsoverwegingen 2.11 en 2.12 van het tussenvonnis is deze kwestie aan de orde gesteld maar partijen hebben daar niet op gereageerd. Ook als gevolg daarvan kan uit hetgeen in deze procedure [Appellant sub 4] voren is gebracht niet worden afgeleid dat invoering van de LRO en het ROP een waardevermindering van het perceel tot gevolg hebben gehad.2.7

Het Land is wel ingegaan op de in 2.12 van het tussenvonnis gestelde vraag wat recreatief medegebruik in extensieve vorm inhoudt. Het betreft volgens het Land onder meer “daghorecavoorzieningen” en “kleinschalige verblijfaccomodaties”. Nu uit het voorgaande volgt dat in deze procedure niet is komen vast te staan dat de mogelijkheden voor bebouwing feitelijk en/of juridisch voor 2006 ruimer waren terwijl uit het LRO en het ROP niet kan worden afgeleid dat de wettelijke voorschriften voor gebruik van het perceel zijn gewijzigd, is dit gegeven, dat overigens door de erven [appellanten] is beaamd, voor de beoordeling van het geschil verder niet relevant.2.8

De stelling van de erven [appellanten] over de weigering van het Land om mee te werken aan een grondruil (zie contra akte onder 9 en verder) behoeft evenmin bespreking. Het valt niet in te zien hoe deze stelling bijdraagt aan de grondslagen van de vorderingen van de erven [appellanten]. Voorzover met deze stelling is beoogd de grondslag uit te breiden en dus de eis te vermeerderen, geldt dat daarvoor in dit stadium van de procedure geen plaats is.2.9

Uit het voorgaande volgt dat de grieven falen.2.10

Het bestreden vonnis zal worden bevestigd en de erven [appellanten] zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het Land in hoger beroep. Deze worden begroot op Afl. 199,90 aan betekeningskosten.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

– bevestigt het vonnis waarvan beroep;

– veroordeelt de erven [appellanten] in de proceskosten van het Land, begroot op Afl. 199,90.

Dit vonnis is gewezen door mrs. M.W. Scholte, H.J. Fehmers en J. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 18 juni 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.

Leave a Reply

Your email address will not be published.